Spanningsvelden binnen de Wmo & Jeugdwet
Volgens adviseur Sociaal Domein Esther van Rheenen
De Wmo en Jeugdwet zijn wetten waarmee we iets kunnen betekenen voor een kwetsbare groep inwoners. Als overheid moet je regelen wat noodzakelijk is. Maar de combinatie van sociale, juridisch en financiële aspecten levert allerlei spanningsvelden op. Boeiend terrein voor onze Adviseur Sociaal Domein Esther van Rheenen. Een inkijkje in de uitdagingen voor beleid en uitvoering van de Wmo en Jeugdwet.
Spanningsveld 1: vrijheid en verantwoordelijkheid, kwaliteit en controle
‘De Dienst heeft namens de gemeenten Harlingen, Terschelling, Vlieland en Waadhoeke contracten met ruim 100 Wmo-zorgaanbieders. Maar als zij toch geen geschikt hulpaanbod hebben voor een bepaalde hulpvraag, kan een inwoner met een Persoonsgebonden budget (Pgb) zelf een zorgverlener kiezen. Als Pgb-houder ben je zelf werkgever voor je zorgverlener: je sluit een contract af, houdt de administratie bij, geeft opdracht tot uitbetaling, maakt afspraken over werktijden, vervanging bij ziekte en vakantieverlof. En last but not least: je kiest een gekwalificeerde zorgverlener. Dat vraagt nogal wat van de inwoner. Het gebiedsteam beoordeelt of iemand daartoe in staat is.’
Kwaliteit en controle
‘Tegelijkertijd blijf je als overheid verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg: een spanningsveld. Want hoe doe je dat? Waar zitten je toetsmomenten? Wat leg je vast in beleid, welke kwaliteitsafspraken kunnen we maken? Dat klinkt heel controlerend, maar hoe borg je als overheid anders dat de inwoner goede zorg krijgt? Ik denk dat je kwaliteitscontrole al vroeg in het proces moet inbouwen. Bijvoorbeeld met een goed budgetplan, dat de inwoner invult tijdens het aanvraagproces. Ons huidige budgetplan is vrij algemeen. Ik werk aan een nieuwe versie, met meer aandacht voor onder andere doelen, resultaten en kwaliteitseisen aan de zorgverlener. Zo’n plan helpt om te onderzoeken of iemand een budget kan beheren en de juiste zorg krijgt. Het is ook een manier om soms kwetsbare inwoners te beschermen. Het dwingt mensen om zelf kritisch na te denken over of een Pgb een geschikte vorm voor ze is. En we willen voorkomen dat inwoners gedupeerd raken. Maar ja, ‘papierwerk’ is natuurlijk een grote ergernis: ook daar zit een spanningsveld.’
Kritische vragen
‘Daar komt bij dat gebiedsteammedewerkers de inwoner allerlei kritische vragen moet stellen: kun je een functioneringsgesprek voeren met je zorgverlener? Wat als je partner je zorgverlener is? Hoe ga je om met inwoners die heel stellig zijn, maar waarschijnlijk niet capabel om een Pgb te beheren? Het budgetplan dat ik nu maak kan de gebiedsteams hopelijk helpen en bijdragen aan begrip bij de inwoner: waarom vragen we dit allemaal? Aan welke verplichtingen moet je je houden? Het gaat niet om het ontmoedigen van Pgb-gebruik, maar om zorgkwaliteit te borgen en te zorgen dat het budget ingezet wordt waarvoor het bedoeld is.’

Spanningsveld 2: Inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage
Tot 2019 was de hoogte van de eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen afhankelijk van het inkomen van de inwoner. Daarna werd het abonnementstarief ingevoerd: iedereen betaalde een eigen bijdrage van € 17,50 (in 2025 €21,00) per maand, ongeacht het aantal Wmo-voorzieningen en ongeacht het inkomen en vermogen. Dat leidde tot een grote toestroom tot vooral de Wmo huishoudelijke hulp. Nu ligt er een wetsvoorstel om de eigen bijdrage toch weer afhankelijk te maken van het inkomen en vermogen. Om de Wmo financieel houdbaar te houden én om mensen meer aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheid van hun netwerk.
Ethiek
‘Vanuit De Dienst hebben we meegedacht over de uitvoering: wat betekent dit plan, en is het uitvoerbaar? Onderdeel van het nieuwe voorstel is dat mensen met de laagste inkomens een minimale eigen bijdrage betalen (vergelijkbaar met het huidige abonnementstarief). Voor de eigen bijdrage wordt ook een maximumbedrag ingevoerd. Dat geldt dan voor de allerrijksten van ons land. De rest zit er naar rato tussenin. Wat mij betreft wordt dat maximumbedrag een heel hoog bedrag, want anders betwijfel ik of mensen met een hoog inkomen daadwerkelijk af zullen zien van een maatwerkvoorziening. Als je daarnaast kijkt wat deze systematiek voor gemeenten aan administratieve lasten betekent, dat is onevenredig. Maar je komt ook op een ethisch spanningsveld: benadeel je hiermee de mensen die altijd zuinig geweest zijn en gespaard hebben? Toch denk ik dat dit de enige manier is om de kosten beheersbaar te krijgen.’
Spanningsveld 3: Heb je recht op hulp?
‘Vroeger had je ‘gewoon’ lastige kinderen, nu heb je jeugdhulp voor elke vorm van lastig gedrag. Hoe bepaal je wat nog normaal is en tot waar reikt de eigen verantwoordelijkheid van ouders? Veel ouderen doen hun auto weg omdat het rijden niet goed meer gaat. Vervolgens vragen ze een scootmobiel aan bij de Wmo, omdat ze slecht ter been zijn en geen auto meer hebben. Maar is het dan aan de gemeente om een scootmobiel te verstrekken? Of kan die oudere die zelf aanschaffen van het geld uit de verkoop van de auto? Op grond van de wet mogen we dit niet eisen van de inwoner, maar de vraag is: durven we hier wel het gesprek over aan te gaan met de inwoner? Ander voorbeeld: Veel ouderen kunnen niet goed meer traplopen. In dichtbebouwde gebieden kun je makkelijker verhuizen naar een geschiktere woning. In onze regio met kleine dorpen is dat lastiger. Dan moet je al gauw verhuizen naar buiten je eigen leefomgeving, en dat is ook niet altijd een goede oplossing voor de inwoner. Daarom betalen we vanuit de Wmo relatief veel woningaanpassingen. Maar dat zijn dure ingrepen.’
Hoe kunnen we de stijgende kosten onder controle houden?
‘Als overheid is het belangrijk om bij elke hulpvraag zorgvuldig in gesprek te gaan met de inwoner. Ook over andere mogelijkheden dan door de gemeente gefinancierde ondersteuning. Maar niet alle inwoners accepteren dat altijd. Er lijkt een trend te ontstaan: ik heb een probleem, dus ik heb recht op hulp, en de gemeente moet dat betalen. Hoe kunnen we de alsmaar stijgende kosten onder controle houden? De vraag is hoe je dat kunt doorbreken, want de wet- en regelgeving is nu eenmaal zo ingericht. Het zou niet onredelijk zijn om de wet wat aan te scherpen: we hoeven niet alles te vergoeden en we moeten meer leren omgaan met de beperkingen die het leven soms met zich meebrengt. Als overheid kunnen we niet alles oplossen.’
Spanningsveld 4: gescheiden verantwoordelijkheden in de keten
‘Het zou vanzelfsprekend moeten zijn om elkaar op tijd te betrekken bij de ontwikkeling van nieuw beleid, bij aanbestedingen, bij consequenties voor inwoners en collega’s, bij financiële ontwikkelingen. Want om grip te krijgen op alle spanningsvelden is het belangrijk dat we als spelers in de keten – De Dienst, gemeenten en gebiedsteams, Rijk, SDF, zorgaanbieders, andere verwijzers – transparant zijn naar elkaar, dat we elkaar betrekken bij waar we mee bezig zijn en ons aan de gemaakte afspraken houden. Maar soms is het lastig om elkaar op tijd te vinden in zo’n complex speelveld met veel partners.. Dat zou niet moeten: we zijn sámen bezig voor de inwoner. Uiteindelijk wil je een soepel proces van beleid naar uitvoering voor alle betrokkenen in de keten. Het is niet altijd onwil, maar vaak ook onbekendheid, óók intern. Maak gebruik van elkaars expertise en vertrouwen in elkaars kunnen. Wees nieuwsgierig naar en kritisch op wat je doet.’
